Stenen

 

 

Foto: Collectie Wageningen 1940-1945

Joods monument “De Levenspoort” 4 mei 2007

 

 

Het leggen van stenen op Joodse graven en monumenten is niet uniek Joods, in sommige streken hebben katholieken deze traditie ook en in Azië bestaat dit gebruik op verschillende plaatsen.

Heel vroeger, in de tijd van Abraham, waren de Joden voornamelijk een nomadisch herdersvolk in een gebied met heel weinig vegetatie (woestijn). Overledenen werden vaak op de plek begraven waar ze stierven. Om later het graf te kunnen terugvinden werden er stenen uit de omgeving neergelegd.

Nog vele duizenden jaren daarna, ook bij andere nomadische volkeren zoals de Bedoeďenen, bestonden er geen formele begraafplaatsen. Op het graf werden stenen gelegd en iedereen die langskwam droeg zijn steentje bij zodat er op het graf een soort grafheuveltje ontstond, een zgn. Cairn, ook terug te vinden in het noorden van Schotland als overblijfsel van de Picten.

Deze gewoonte is tot onze dagen overeind gebleven, onder andere bij de Joden. De betekenis die er nu aan gegeven wordt is drievoudig:

Het laat een teken achter dat je bij het graf bent geweest, je eert er de overledene mee en je eerbewijs is (in principe) onvergankelijk.

Deze zeer oude gewoonte is geen wet of gebod, iedereen van de gemeenschap doet het, maar het is zeker niet verboden op een andere manier je respect voor de overledene te betonen. Hoe meer geassimileerd, hoe vaker bloemen.

Dat de stenen, juist de grote die nu grafstenen zijn geworden, heel oud zijn is uit veel archeologisch onderzoek gebleken. Zelfs volkeren die hun overledenen in holen of grotten begroeven gebruikten ze. De oorspronkelijke bedoeling was, te voorkomen dat de overledene of zijn ziel uit het graf kon ontsnappen om de levenden te belagen. Hoe groter en zwaarder de stenen hoe beter.

 

Tekst:

Prof. ir. M. S. Elzas

Voorzitter van Stichting Joods Wageningen en Omstreken.

 

 

Joods monument ‘De Levenspoort’